|
Column - Supersecondanten (Dutch)
May 21 2010 - Gert Ligterink
 Toen Viktor Kortchnoi in 1978 in Baguio City de match om de wereldtitel speelde tegen Anatoly Karpov, had ik medelijden met hem. Hij moest de openingen voorbereiden met de Engelsen Stean en Keene en met de toegewijde, maar zeer eigenwijze Jacob Murey. Karpov kon rekenen op de steun van een leger topgrootmeesters uit de Sovjet-Unie.
Een eenling tegen een machtig land, dat kon niet goed aflopen. Omdat de verhoudingen zo scheef waren, overwoog ik zelfs Kortchnoi mijn analyses te sturen van een zelf bedacht nieuwtje in het Nimzo-Indisch. Gelukkig deed ik het ten slotte niet. Kortchnoi zou me hartelijk hebben uitgelachen, want het nieuwtje stelde niets voor.
Ik moest aan die overmacht aan helpers voor Karpov denken, toen ik het opzienbarende interview met Anand las op de Chessbase website. We wisten dat Anand tijdens de WK-match kon rekenen op zijn vaste secondanten Nielsen, Kasimdzhanov, Ganguly en Wojtaszek. Wat we niet wisten was dat hij nog enkele hoog gekwalificeerde helpers had.
Tijdens de voorbereiding op de tweekamp vroeg Magnus Carlsen of hij iets kon doen. Hij kwam een paar dagen langs in het trainingskamp om openingsvarianten met het team te controleren en met Anand te sparren in blitzpartijen. Een betere opponent kon Anand zich niet wensen.
Een andere assistent, die ook zelf zijn diensten aanbood, was Gary Kasparov. Hij was zo vriendelijk een vragenlijst over Anands repertoire voor de match te beantwoorden. Niet zo lang geleden was het de droom van iedere schaker toegang te krijgen tot Kasparovs geheime laboratorium. Anand kreeg zonder het te vragen een gratis rondleiding.
Tijdens de tweekamp maakte Anands telefoon overuren. Kasparov leefde mee alsof hij zelf weer om de titel speelde. Na de verloren achtste partij gaf hij Anand privéles in de behandeling van eindspelen met ongelijke lopers. De student had er alle waardering voor: `Dat was heel lief van hem’.
Na de derde partij kreeg Anand er nog een belangrijke supporter bij. Vladimir Kramnik kon zich niet inhouden en belde Anand om hem te waarschuwen voor het eindspel dat rechtstreeks uit de opening was ontstaan. Ook daarna bleef Kramnik als een onzichtbare veldheer waken over het lot van de kampioen. Volgens Anand was zijn hulp onbetaalbaar.
Toen ik het las, voelde ik _ met vertraging _ hetzelfde medelijden met Topalov dat ik indertijd met Kortchnoi had. Bij een match waarin zij geen rechtstreekse belangen hadden, stonden drie van de grootste spelers van de afgelopen twintig jaar een van de betrokkenen vrijwillig terzijde.
De vraag is natuurlijk waarom. Is het omdat Anand zo’n aardige man is of wilden de hulpverleners voorkomen dat de wereldtitel in handen zou vallen van Topalov? Voor Kramnik, die sinds de WK-match in Elista in 2006 op voet van vijandschap leeft met Topalov, speelt die laatste overweging misschien een rol. Maar Kasparov en Carlsen hebben bij mijn weten altijd normale betrekkingen met Topalov onderhouden.
Of werd de hulp van de grote drie geďnspireerd door Topalovs manager Silvio Danailov. In Sofia hield hij zich rustig, maar sinds het toiletgate schandaal tijdens de match in Elista zijn spelers en organisatoren op hun hoede als hij in de buurt is. Het Corus-comité is het beruchte, door hem geďnstigeerde handenschud-incident tussen Cheparinov en Short in 2008 nog niet vergeten.
Voor Carlsen zou het een reden kunnen zijn partij te kiezen. Stel dat hij volgend jaar het kandidatentoernooi wint, met wie zou hij dan liever onderhandelen over de voorwaarden van de WK-match? Met Danailov of met Aruna en Viswanathan Anand? Ik denk dat ik het antwoord weet.
Bij vragen/opmerkingen over deze column kunt u mailen naar de auteur op gert@coruschess.com.
|